|







|
|
Als kind was voor mij de zondag een wekelijks terugkerend
ritueel. De hele familie werd op tijd het bed uit getrommeld om daarna
in zondagse kleren aan het ontbijt te verschijnen. Daarna moesten we om
de beurt tanden en schoenen poetsen. Op de inmiddels afgeruimde tafel
lag een rij rolletjes pepermunt en drop en een geldstukje voor de
collectezak.
Tijdens de wandeling naar de kerk kwam je elke week, zowel voor de
ochtenddienst als voor de avonddienst de zelfde mensen tegen, iedereen
was onderweg richting het luiden van de klokken.
Van de preken die de dominee hield kan ik me echt totaal niets
herinneren, zoveel indruk maakten deze op me. Het uitzitten van een
kerkdienst bestond voor mij meer uit het kijken naar de mensen om me
heen, het overdenken wat ik met die heerlijke vrije tijd na de dienst
zou kunnen doen, maar bovenal met, wanneer de zon scheen, het lichtspel
door de ramen.
Het was of de zon mij riep, “kom buiten”.
Op school, nationaal christelijke school stond er met grote
letters op, leerden we ook elke week een bijbeltekst en een psalmversje
uit het hoofd. Ik weet er nog weinig van.
Thuis werd er voor en na elke maaltijd een gebed gezegd, voor
mij niets meer dan een gewoonte. Bij het avondeten werd er altijd een
stuk uit de bijbel gelezen, voor mij een mooi moment om me te bezinnen
wat ik deze avond zou gaan doen. Alleen als Hooglied weer aan de beurt
kwam, dan zou ik het liefst onder tafel kruipen. De hele kluit broers
en zussen zat dan al met een grijns van oor tot oor tot onze moeder,
met naar mijn gevoel ingehouden lach, de zin zou lezen: “en onze
jongste zuster, die nog geen borsten heeft”. Toen ik eenmaal wel
zover was dat ik borsten had, waren ze van zo’n formaat, dat de
grap nog leuker bleek te zijn.
Nee, echt steun heb ik nooit kunnen vinden in mijn religieuze
achtergrond, ook na de dood van onze zoon niet. Maar wonderlijk genoeg
ben ik tot de ontdekking gekomen dat ik toch een vaag geloof heb in een
soort hemel, waar zowel mijn kind, mijn moeder en mijn oma zich prima
schijnen te vermaken. Dit doet mij dan weer realiseren hoe betrekkelijk
geloof is, dat er nog ergens een basis is die niet uit mijn leven weg
te denken is.
|
|