|








|
|

Hij grote broer,
ik kleine zus.
Hij grote broer,
Jij kleine zus,
samen wandelen,
op een nevelige ochtend,
leerde ik veel,
leerde jij veel
van die broer.
Hij vertelde
over de bomen,
de planten,
de aarde,
de lucht,
de sterren,
de dieren
en over gevoel.
Ik vond dat fijn,
jij vond dat fijn.
Grote broer,
zonder kan echt niet
en daarom, klein zusje
begrijp ik het
Jouw intense verdriet
|
|