|







|
|
Een voor mijn omgeving hoogst irritante karaktertrek van
mij is, dat
als ik iets verloren heb of kwijt ben, dat ik dan tot het oneindige kan
blijven zoeken. Meestal vind ik het dan ook wel, na veel spitten en
denkwerk, terug. Hopeloos wordt men ervan, men roept: “het
komt heus wel weer tevoorschijn!”. Ik blijf echter zoeken, of
het nou om een bezem of een brief gaat, ik moet het terug vinden. Als
het echt onvindbaar blijkt, blijft dit in mijn hoofd doormalen,
“waar kan dat ding toch zijn?”.
Elke keer als ik aan iemand vertel dat ik mijn zoon
verloren heb, denk
ik: “dit klopt niet, ik heb hem niet verloren, maar ik ben
hem wel kwijt.” Zoeken en terug vinden is er niet bij, ik
weet dat dit niet kan, zinloos is. Toch zoek ik, iets zal de leegte
toch op moeten kunnen vullen?
Ik zou meer voor mijn meisjes en mijn man
willen betekenen ze optimaal gelukkig te maken, maar ik weet niet of ik
dat wel kan. Zij zijn ook iemand kwijt, zij hebben ook die leegte, die
niet op te vullen lijkt. We proberen de herinneringen, de goede en de
minder goede, te bewaren, te koesteren. Dit maakt alleen dat je dan
weer geconfronteerd wordt, met wat er weg is. Zo blijf ik doorzoeken
naar iets wat nooit terug te vinden is en zal ik vermoedelijk verder
moeten leren leven met dit stuk leegte.

Olieverfschilderij: Bas 1987
|
|