|







|
|
Ik was vier jaar toen mijn vader overleed, de
herinneringen die ik aan hem heb zijn er maar weinig en bijzonder vaag.
Ik weet niet beter dan een grijze, kale man, die in bed lag.
Eén keer kan ik nog herinneren dat we met de volkswagen naar
Den Haag zijn geweest en naar Scheveningen. Daar kreeg ik een ijsje op
de boulevard, deze zat in een plastic bekertje en er zat een houten
lepeltje bij. Onder dat plastic bekertje zat een heel scherp puntje. De
smaak van dat ijsje en de lucht van de volkswagen kom ik soms nog tegen
en die maken dan een klein vonkje los.
Veel weet ik niet over mijn vader, iedereen noemde hem
ook “Vader” en nog steeds spreken mijn broers en
zussen over vader. Mijn moeder werd liefdevol
“Mammie” genoemd, maar in de verhalen over Vader
kwam weinig teders naar voren.
De allerlaatste “levende” herinnering
die ik aan Vader heb, zijn zijn enorme grote en bleke billen. Hij was
aan het eind van zijn leven en kreeg regelmatig injecties met morfine
tegen de pijn. Ik was ziek, oorontsteking en lag in de zelfde kamer als
mijn vader. Toen het tijd was voor de injectie zei Mammie dat ik mij
even om moest draaien, dat deed ik braaf, maar toen ik de indruk had
dat ze druk bezig was, loerde ik even over mijn schouder. Vader lag op
zijn zij met zijn gezicht naar de andere kant, zijn grote billen waren
lijkbleek, ik draaide mij snel weer terug.
Enige tijd later, toen mijn vader net was overleden, lag
hij opgebaard in een klein kamertje in huis. Ik werd meegenomen om bij
hem te kijken. Ik wilde dat niet, ik was doodsbang, maar schijnbaar
moest het. Ik weet niet meer of ertoe gedwongen ben of dat ik niet heb
durven zeggen dat ik bang was, maar ik had het idee dat doodgaan
besmettelijk was. Ik kan me totaal niet herinneren of ik wel gekeken
heb en hoe hij erbij lag. Wel weet ik dat één van
mijn zussen zei dat hij nu in de hemel was en altijd bij ons was en ons
altijd kon zien net als de Here Jezus. Dat deze uitspraak op mij een
enorm beangstigende invloed heeft gehad, dat kon niemand weten.
Doodsbenauwd was ik om iets fout te doen, te jokken of te liegen.
Eén keer had ik op vernuftige wijze een koekje uit de
trommel genomen, zonder dat iemand het zag. ’s Avonds begon
het enorm te onweren. Ik wist nu toch heel zeker dat men in de hemel
boos op mij was.
Dit alles heeft mij zodanig gevormd, dat ik niet lieg en
dat eerlijkheid bij mij hoog in het vaandel staat, niet dat ik nog bang
ben voor gedonder uit de hemel. Ik heb gewoon een gruwelijke hekel aan
leugens en oneerlijkheid gekregen, als mensen mij voorliegen kan mij
dat enorm steken en irriteren, ik hoor liever de harde waarheid.
|
|